Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 26 januari 2016 heeft het college ingestemd met het evaluatieverslag van 13 maart 2015 van de bodemsanering die is uitgevoerd op de locaties Altenahof, Gaasterland, Kennemerland, Gooisehof en Sallandhof te Helmond.

Uitspraak



201601193/1/A1.

Datum uitspraak: 8 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Helmond,

en

het college van burgemeester en wethouders van Helmond,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2016 heeft het college ingestemd met het evaluatieverslag van 13 maart 2015 van de bodemsanering die is uitgevoerd op de locaties Altenahof, Gaasterland, Kennemerland, Gooisehof en Sallandhof (hierna: de locaties) te Helmond.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 januari 2016, waar het college, vertegenwoordigd door mr. P. Helmus, mr. ING. M.G. Stienstra en P. Meuken, is verschenen.

Overwegingen

1. Het college heeft bij het besluit van 26 januari 2016 ingestemd met het evaluatieverslag van de sanering van de locaties, waar verontreiniging van de bodem met polychloorbifenylen (hierna: PCB) was aangetroffen. De sanering betrof een aantal verspreid liggende clusters van percelen en groenstroken en is uitgevoerd aan de hand van het saneringsplan "Helmond, omgeving Sallandhof, Gooisehof, Kennemerland en Altenahof" van 6 december 2013 (hierna: het saneringsplan). Daarbij is grond met een verontreiniging boven de interventiewaarde afgegraven en afgevoerd, waarna een leeflaag is aangebracht.

2. [appellant] en anderen betogen dat het college instemming aan het evaluatieverslag had moeten onthouden, omdat in het evaluatieverslag ten onrechte is vermeld dat de sanering een deelsanering betreft.

3. Artikel 38, eerste lid, van de Wet bodembescherming (hierna: de Wbb) luidt:

Degene die de bodem saneert, voert de sanering zodanig uit dat:

a. de bodem ten minste geschikt wordt gemaakt voor de functie die hij na de sanering krijgt waarbij het risico voor mens, plant of dier als gevolg van blootstelling aan de verontreiniging zoveel mogelijk wordt beperkt;

b. het risico van de verspreiding van verontreinigende stoffen zoveel mogelijk wordt beperkt;

c. de noodzaak tot het nemen van maatregelen en beperkingen in het gebruik van de bodem als bedoeld in artikel 39c en artikel 39d zoveel mogelijk wordt beperkt.

Artikel 39c, eerste lid, luidt:

Na de uitvoering van de sanering of een fase van de sanering als bedoeld in artikel 38, derde lid, doet degene die de bodem heeft gesaneerd dan wel een fase van de sanering heeft uitgevoerd, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk verslag aan gedeputeerde staten. Het verslag houdt ten minste in:

a. een beschrijving van de getroffen saneringsmaatregelen;

b. een beschrijving van de kwaliteit van de bodem na het uitvoeren van de sanering, waaronder mede begrepen een beschrijving van de aard en omvang van de verontreiniging indien na de sanering verontreiniging in de bodem aanwezig is gebleven;

c. indien de verontreinigde grond is afgegraven of het verontreinigde grondwater aan de bodem is onttrokken, de hoeveelheid, de kwaliteit en de bestemming van die grond onderscheidenlijk dat grondwater;

d. indien ten behoeve van de sanering grond is aangevoerd de hoeveelheid, de kwaliteit en de herkomst van de aangevoerde grond;

e. een evaluatie van de mate waarin de effecten van de getroffen saneringsmaatregelen overeenstemmen met de beoogde effecten, bedoeld in artikel 39, eerste lid, onder b;

f. indien na de sanering nog verontreiniging in de bodem aanwezig is en alleen beperkingen in het gebruik van de bodem noodzakelijk zijn, een beschrijving van deze beperkingen. Indien na de sanering alleen maatregelen in het belang van de bescherming van de bodem nodig zijn, het aangeven van de noodzaak daarvan. Indien na de sanering zowel beperkingen als maatregelen noodzakelijk zijn, het aangeven van de noodzaak van deze beperkingen en maatregelen.

Het tweede lid luidt:

Het verslag behoeft de instemming van gedeputeerde staten, die slechts met het verslag instemmen indien gesaneerd is overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens artikel 38, en indien de daarin opgenomen beperkingen in het gebruik van de bodem naar hun oordeel voldoende zijn om ervoor te zorgen dat de verontreiniging die na de sanering is achtergebleven niet zal leiden tot een vermindering van de kwaliteit van de bodem zoals beschreven in het verslag op grond van het eerste lid, onder b. Gedeputeerde staten kunnen hun instemming aan het verslag onthouden, indien de sanering niet is geschied overeenkomstig het saneringsplan waarmee door gedeputeerde staten is ingestemd, de beschikking waarbij gedeputeerde staten met het saneringsplan hebben ingestemd en de daaraan verbonden voorschriften, of aanwijzingen die gedeputeerde staten op grond van artikel 39, vijfde lid, hebben gegeven. Aan de instemming kunnen voorschriften worden verbonden. Artikel 28, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing voor wat betreft de instemming met het verslag.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 21 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2516, ten aanzien van het evaluatieverslag van de bodemsanering die is uitgevoerd op de locatie "Sallandhof e.o." te Helmond, verschillen de voorwaarden voor instemming met het evaluatieverslag voor een deelsanering of volledige sanering niet. Gelet op het bepaalde in het tweede lid van artikel 39c van de Wbb moet instemming worden geweigerd indien niet is voldaan aan artikel 38 van die wet en kan instemming worden geweigerd indien de sanering niet is geschied overeenkomstig het saneringsplan of het besluit tot instemming daarmee. De enkele stelling dat in het evaluatieverslag ten onrechte is vermeld dat sprake is van een deelsanering kan dan ook, wat daar ook van zij, geen aanleiding geven voor het oordeel dat het college ten onrechte met het verslag heeft ingestemd.

Het betoog faalt.

4. [appellant] en anderen betogen dat het college ten onrechte met het evaluatieverslag heeft ingestemd, omdat niet vaststaat dat de leeflaag overeenkomstig het saneringsplan een dikte van 1 m heeft. Weliswaar is in het evaluatieverslag aan de hand van foto’s van de ontgraving en daarin aangebrachte jalons en schetsmatige dwarsdoorsneden geïllustreerd dat de ontgravingsdiepte ten tijde van de werkzaamheden is vastgesteld op 1 m, maar niet is aan de hand van concrete gegevens aangetoond dat de dikte van de aangebrachte leeflaag ook 1 m bedroeg, aldus [appellant] en anderen.

4.1. In het evaluatieverslag is vermeld dat tijdens het ontgraven van de woonpercelen de ontgravingsdiepte ten opzichte van het maaiveld met behulp van een laserwaterpas is gecontroleerd. Op deze wijze is vastgesteld dat op de woonpercelen tot minimaal 1 m beneden maaiveld is afgegraven. De grond is vervolgens weer tot het oude niveau aangevuld met een leeflaag. In bijlage 10 bij het evaluatieverslag zijn foto's opgenomen waarop zowel de situatie na ontgraving als na het aanbrengen van de leeflaag zichtbaar is.

Gelet op de in het evaluatieverslag beschreven werkwijze en de daarbij behorende foto's is, anders dan [appellant] en anderen aanvoeren, aannemelijk gemaakt dat de leeflaag ter plaatse van de woonpercelen een dikte van 1 m heeft.

Het betoog faalt.

5. [appellant] en anderen betogen dat het college ten onrechte heeft ingestemd met het evaluatieverslag, omdat het evaluatieverslag in strijd met de artikelen 38 en 39c van de Wbb tot stand is gekomen. Daartoe voeren zij aan dat na de sanering ten onrechte geen putwandmonsters zijn genomen, zodat niet duidelijk is of de saneringsdoelstelling is bereikt en wat de aard en omvang is van de in de bodem achtergebleven verontreiniging. [appellant] en anderen vrezen dat omwonenden van de locaties worden blootgesteld aan schadelijke effecten van de verontreiniging en wijzen in dit verband op het rapport van de Gezondheidsraad van 25 augustus 2004, "Risico van bodemverontreiniging voor de mens: bodemonderzoek, modellen en normen", pagina’s 1 tot en met 18.

5.1. De Afdeling heeft het betoog van [appellant] en anderen dat putwandbemonstering had moeten plaatsvinden verworpen in de uitspraken van 21 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2520 en ECLI:NL:RVS:2016:2516, ten aanzien van de instemming met het saneringsplan voor de locaties en ten aanzien van het evaluatieverslag van de bodemsanering die is uitgevoerd op de locatie "Sallandhof e.o.". De Afdeling ziet geen aanleiding om daar in deze zaak anders over te oordelen. In overeenstemming met het saneringsplan en de saneringsdoelstelling is verontreinigde grond tot 1 m diep afgegraven, zijn dieper gelegen verontreinigingen afgedekt met een signaallaag met geotextiel en is een 1 m dikke leeflaag aangebracht. Gelet hierop is voldoende aannemelijk dat de bodem overeenkomstig artikel 38, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wbb geschikt is voor de woonfunctie die hij na de sanering krijgt en dat het risico voor mens, plant of dier als gevolg van blootstelling aan de verontreiniging zoveel mogelijk wordt beperkt. De verwijzing naar het rapport van de Gezondheidsraad van 25 augustus 2004 leidt niet tot een ander oordeel, omdat daaruit niet volgt dat, ondanks het afgraven van verontreinigde grond tot 1 m diepte, het aanbrengen van signaaldoek en het aanbrengen van een 1 m dikke leeflaag de bodem niet geschikt is voor de woonfunctie die hij na de sanering krijgt. Voor zover [appellant] en anderen in dit verband nog stellen dat geen interventiewaardecontouren zijn vastgesteld, mist die stelling feitelijke grondslag. In bijlage 1 van zowel het saneringsplan als het evaluatieverslag zijn kaarten opgenomen waarop de interventiewaardecontouren van de locaties zijn weergegeven.

Verder bestaat geen grond voor het oordeel dat de aard en omvang van de dieper dan 1 m gelegen verontreiniging, waarvan in het saneringsplan al was vermeld dat deze achterblijft in de bodem, uitgebreider had moeten worden omschreven dan in het evaluatieverslag is gedaan. Het betoog van [appellant] en anderen biedt dan ook geen grond voor het oordeel dat het evaluatieverslag in strijd met artikel 39c, eerste lid, van de Wbb onvolledig is en het college daarom niet met het verslag had mogen instemmen.

Het betoog faalt.

6. [appellant] en anderen betogen dat het college ten aanzien van de achtergebleven verontreiniging ten onrechte geen gebruiksbeperkingen heeft opgelegd aan de gebruikers van de percelen. Volgens hen kunnen gebruikers van de percelen bij dieper graven dan de leeflaag geconfronteerd worden met de achtergebleven verontreiniging.

6.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat, conform de systematiek van de landelijke Circulaire bodemsanering, na het aanbrengen van een leeflaag van 1 m voor het gewone gebruik geen gebruiksbeperking noodzakelijk is. Blootstelling aan de onderliggende eventueel verontreinigde bodem is bij normaal gebruik niet aan de orde en eetbare groente, kruiden en fruit kunnen veilig geteeld worden in een leeflaag van deze dikte, aldus het college.

Gezien deze motivering is aannemelijk dat mensen bij normaal gebruik niet in contact komen met een eventuele verontreiniging. Doordat met geotextiel een signaallaag is aangebracht tussen de leeflaag en de dieper gelegen eventueel verontreinigde grond, is duidelijk wanneer wordt gegraven in die dieper gelegen grond. Gelet hierop, heeft het college in redelijkheid kunnen afzien van het verbinden van gebruiksbeperkingen aan de instemming met het evaluatieverslag.

Het betoog faalt.

7. Voor zover [appellant] en anderen zich nog op het standpunt hebben gesteld dat de gemeente Helmond de veroorzaker van de verontreiniging is door de gronden van de locaties op te hogen met verontreinigde grond, wordt overwogen dat gelet op artikel 39c, tweede lid, van de Wbb de oorzaak van de verontreiniging niet relevant is voor de beantwoording van de vraag of het college heeft kunnen instemmen met het evaluatieverslag.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Wortmann w.g. Van Roessel

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2017

457-833.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature