U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 28 oktober 2014 heeft het college een verzoek van [partij A] en [partij B] van 2 april 2014 om tegen [appellant sub 2] handhavend op te treden ter zake van het in strijd met het bestemmingsplan opslaan van teerhoudend asfaltgranulaat (hierna: TAG) op het perceel [locatie] te Son (hierna: het perceel) afgewezen.

Uitspraak



201600973/1/A1.

Datum uitspraak: 22 februari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

2. [appellant sub 2], gevestigd te Son, gemeente Son en Breugel,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 28 december 2015 in zaak nr. 15/1842 in het geding tussen:

[partij A] en [partij B]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2014 heeft het college een verzoek van [partij A] en [partij B] van 2 april 2014 om tegen [appellant sub 2] handhavend op te treden ter zake van het in strijd met het bestemmingsplan opslaan van teerhoudend asfaltgranulaat (hierna: TAG) op het perceel [locatie] te Son (hierna: het perceel) afgewezen.

Bij besluit van 19 mei 2015 heeft het college het door [partij A] en [partij B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 december 2015 heeft de rechtbank het door [partij A] en [partij B] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 19 mei 1015 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college en [appellant sub 2] hoger beroep ingesteld.

[partij A] en [partij B] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 2] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 december 2016, waar [appellant sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. dr. L. Bier, advocaat te Vught, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.M.C. de Krosse-de Ridder en ING. H.L. van Aarle, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [partij A] en [partij B], vertegenwoordigd door mr. M.P. Wolf, advocaat te Breda, gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant sub 2] exploiteert een bedrijf voor het op- en overslaan van afvalstoffen en bouwstoffen op het perceel. Op 2 april 2014 hebben [partij A] en [partij B] verzocht om handhaving vanwege een berg TAG op het perceel. De hoogte daarvan bedroeg destijds ongeveer 30 m. [partij B] is eigenaar van een aantal naast de inrichting gelegen percelen, waarop [partij A] het recreatiepark Aquabest en een visvijver exploiteert.

Zij stellen door de aanwezigheid van de berg TAG te vrezen voor aantasting van de waterkwaliteit van de visvijver en recreatieplas, bodemverontreiniging en schadelijke gevolgen voor bezoekers van het recreatiepark.

Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 28 oktober 2014 heeft het college ten grondslag gelegd dat de opslag van TAG in overeenstemming is met het bestemmingsplan "Ekkersrijt", zodat het onbevoegd was om handhavend op te treden. De rechtbank heeft overwogen dat, gelet op de jarenlange aanwezigheid van een deel van het TAG, het niet gaat om opslag ten behoeve van verwerking en dat daarom feitelijk sprake is van een stortplaats, hetgeen in strijd is met het bestemmingsplan.

Procesbelang

2. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [partij A] en [partij B] procesbelang hadden bij hun beroep. Daartoe stelt [appellant sub 2] dat het college ten tijde van de aangevallen uitspraak met betrekking tot de opslag van TAG reeds een handhavingsbesluit had genomen naar aanleiding van een door [partij A] en [partij B] op 18 februari 2014 gedaan handhavingsverzoek ter zake van de niet-naleving van de op 21 september 2007 verleende revisievergunning krachtens de Wet milieubeheer.

2.1. De vraag of [partij A] en [partij B] in beroep procesbelang hadden, is door de rechtbank terecht beantwoord aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals die zich ten tijde van de uitspraak van de rechtbank op 28 december 2015 voordeden. Vast staat dat de reeds opgelegde lasten niet strekken tot volledige verwijdering van de TAG. Uit de stukken blijkt dat de hoogte van de berg TAG door [appellant sub 2] op het moment van de uitspraak was teruggebracht tot 20 m. Reeds omdat nog TAG aanwezig was op het perceel en [partij A] en [partij B] met hun beroep de verwijdering van al het TAG beoogden te bewerkstelligen, heeft de rechtbank terecht belang aangenomen bij de beoordeling van het beroep.

Het betoog faalt.

Herhaalde aanvraag

3. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het verzoek om handhaving van 2 april 2014 een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) betreft en dat het college daarop ten onrechte inhoudelijk heeft beslist. Daartoe voert zij aan dat [partij A] en [partij B] met het handhavingsverzoek evenals met hun verzoek om handhaving van 18 februari 2014 verwijdering van de berg opgeslagen TAG beogen te bereiken.

3.1. Artikel 4:6 van de Awb luidt:

1. Indien na een geheel of gedeeltelijke afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar de eerdere beschikking.

3.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het verzoek van 2 april 2014 niet kan worden aangemerkt als herhaalde aanvraag. Het verzoek van 2 april 2014 ziet niet op dezelfde overtreding als het verzoek van 18 februari 2014. Het verzoek van 2 april 2014 betreft het beweerdelijk in strijd handelen met het bestemmingsplan (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), terwijl het verzoek van 18 februari 2014 de beweerdelijke niet-naleving betrof van de aan [appellant sub 2] op 21 september 2007 krachtens de Wet milieubeheer verleende revisievergunning (artikel 2.3, aanhef en onder a, van de Wabo). Dat [partij A] en [partij B] met beide verzoeken verwijdering van (een deel) van de berg TAG beogen te bereiken, doet er niet aan af dat het gaat om verschillende aanvragen en het verzoek van 2 april 2014 derhalve geen herhaalde aanvraag betrof. Reeds daarom bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college geen inhoudelijke beslissing heeft mogen nemen.

Het betoog faalt.

Opslag van TAG

4. Het college en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de opslag van TAG in strijd met het bestemmingsplan plaatsvindt. Volgens hen is opslag ingevolge de geldende bestemming toegestaan. Het college wijst erop dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de duur van de opslag van TAG op het perceel ruimtelijk niet relevant is.

[appellant sub 2] betoogt dat de omstandigheid dat er vooralsnog op het perceel geen verwerking van TAG plaatsvindt en opslag daarvan gedurende langere tijd plaatsvindt, niet maakt dat de berg TAG in strijd met het bestemmingsplan aanwezig is. [appellant sub 2] voert daartoe aan dat zij voornemens is TAG te verwerken en dat daartoe een aanvraag voor de verandering van de inrichting met een thermische reinigingsinstallatie (hierna: TRI) is ingediend, waardoor verwerking van TAG op het perceel mogelijk zal worden. Zij stelt dat, nu de Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna: de Commissie mer) positief heeft geadviseerd en de TRI is aangeschaft, spoedig de verwerking van de opgeslagen TAG een aanvang kan nemen.

Het college en [appellant sub 2] stellen zich verder op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat het gebruik van het perceel voor de berg TAG is aan te merken als gebruik ten behoeve van een stortplaats. Daarbij merkt [appellant sub 2] op dat de rechtbank ten onrechte aansluiting heeft gezocht bij gehanteerde begrippen in de Richtlijn betreffende het storten van afvalstoffen (L999/31/EG) van 26 april 1999. Bij toepassing van die richtlijn heeft de rechtbank miskend dat ook het sorteren van afvalstoffen een onderdeel vormt van behandeling in de zin van de richtlijn, zo stelt zij.

Subsidiair betoogt [appellant sub 2] nog dat de rechtbank ten onrechte in het kader van de vraag of zicht op legalisering bestaat, van betekenis heeft geacht dat door het college de ingediende aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo voor de TRI niet is overgelegd.

4.1. Artikel 2.1 van de Wabo luidt:

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

[…]

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

[…].

4.2. In het bestemmingsplan "Ekkersrijt" is het perceel bestemd tot "Bedrijventerrein-1" en heeft het de aanduidingen "bedrijf tot en met categorie 4.2", "specifieke vorm van bedrijventerrein - betonwarenfabriek" en "specifieke vorm van bedrijventerrein - afvalverwerkings- en of recyclingsbedrijf" gekregen.

Artikel 4.1 van de planregels luidt:

De voor "Bedrijventerrein-1" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. bedrijven met inbegrip van geluidzoneringsplichtige bedrijven, waarbij geldt dat:

1.-3. [...];

4. ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.2" bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan in de categorie 3.1, 3.2, 4.1 en 4.2 van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten;

5.-7. [...];

b. [...];

c. een afvalverwerkings- en/of recyclingsbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein - afvalverwerkings- en of recyclingsbedrijf";

d. een betonwarenfabriek, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein - betonwarenfabriek";

e.-p. [...];

q. opslag en uitstalling;

r.-v. [...].

Artikel 1 luidt:

In deze regels wordt verstaan onder:

afvalverwerkings- en/of recyclingsbedrijf: bedrijf, waarvan de hoofdactiviteiten zich richten op het verwerken van afval en de recycling van restproducten.

betonwarenfabriek: een bedrijf, waarvan de hoofdactiviteiten zijn gericht op de productie van betonwaren en de op- en overslag daarvan.

4.3. Ingevolge artikel 4.1, aanhef en onder q, van de planregels is opslag toegestaan. In de planregels is niet bepaald dat opslag verband moet houden met de exploitatie van de op het perceel toegestane bedrijven. Evenmin bevat het bestemmingsplan bepalingen met betrekking tot de duur van de opslag. Nu geen aanwijzingen bestaan dat de berg TAG ter plaatse aanwezig is teneinde deze daar permanent te laten liggen, in welk geval niet meer van opslag zou kunnen worden gesproken, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de aanwezigheid van de berg TAG is te beschouwen als opslag, zoals ingevolge artikel 4.1, aanhef en onder q, van de planregels is toegestaan. De gestelde omstandigheid dat niet wordt voldaan aan een voorschrift over de opslagduur van de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu maakt dit niet anders, nu bij de beoordeling of de berg TAG is toegestaan op grond van het bestemmingsplan geen betekenis toekomt aan de inhoud van de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu. Evenmin is daarbij van betekenis of de berg TAG kan worden aangemerkt als stortplaats in de zin van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen en de Richtlijn storten (1999/31/EG) van 26 april 1999.

De conclusie is dat de berg TAG in overeenstemming is met het bestemmingsplan, zodat het college terecht heeft geweigerd bestuurlijke handhavingsmaatregelen te treffen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

Slotoverwegingen

5. De hoger beroepen zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op hetgeen in 4.3 is overwogen, het beroep van [partij A] en [partij B] tegen het besluit van 19 mei 2015 van het college alsnog ongegrond verklaren.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 28 december 2015 in zaak nummer 15/1842;

III. verklaart het door [partij A] en [partij B] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Van Heusden

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2017

647-833.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature